Luischtert VII: Alexander Scriabin — Vers la flamme, Op. 72

De treffendste verklanking van een koortsdroom moet toch echt “Vers la flamme, Op. 72″ van de Russische componist Alexander Scriabin zijn. Dit stuk met een speelduur van ongeveer 6 minuten schreef Scriabin in 1914, een jaar voor zijn dood. Daarmee is het dan ook een goed voorbeeld van de manie die zich meester maakte van de componist tegen het einde van zijn leven.

Het mystieke akkoord van Scriabin

Scriabin’s “mystieke akkoord”

Nu was Scriabin al heel zijn leven een zonderling. Zijn vroege componistencarrière staat in het teken van een grote liefde voor Frédéric Chopin. Deze liefde was zo groot dat hij zelfs met enkele partituren van zijn Poolse idool onder zijn kussen sliep. De preludes, études, mazurkas en nocturnes zijn verder ook alomtegenwoordig in zijn werk uit die tijd. Het vierde deel van zijn eerste, sombere pianosonate kent vele parallellen met de rouwmars uit de tweede pianosonate van Chopin.
Op latere leeftijd (een relatief begrip bij iemand die slechts 43 werd) raakte Scriabin bezeten door het mysticisme, theosofie in het bijzonder. Vooral de vermeend zuiverende krachten van de elementen (vuur met name) en de symbolische betekenis van kleur werden steeds belangrijker.1 Een zogenaamd “mystiek akkoord” of het “Prometheus akkoord” vormde vanaf dat moment veelal de basis voor zijn composities. Voor Scriabin werd zijn muziek, naast een verbeelding van zijn wereldbeeld, ook steeds meer een goddelijk instrument dan een vorm van kunst. In dat opzicht lijkt zijn praktijk sterk op die van de laat 18de eeuwse kunstenaar William Blake. Die vatte een vergelijkbaar, complex goddelijk systeem voor de wereld in een geïllustreerde mythologie op basis van veelal christelijke concepten en een flinke dosis nationalisme.

Met zijn nieuwe opvattingen en radicale ideeën over tonaliteit verruilde Scriabin de Laat-Romantische lyriek in de traditie van Chopin in voor het vroege modernisme dat later door bekendere componisten als Stravinsky, Prokofiev en Schönberg verder werd uitgewerkt. Zijn werk werd ook bombastischer, zowel op muzikaal vlak als thematisch. De symfonieën “Poème de l’extase, Op. 54″ en “Prométhée ou le poème du feu, Op. 60″ zijn hier een goed voorbeeld van, maar het onvoltooide “Mysterium” spant de kroon. Dit totaaltheater waarbij muziek, dans, kleur en geur de hoofdrol spelen zou een week lang opgevoerd worden aan de voet van het Himalaya gebergte. Kort na de opvoering zou de wereld vergaan en de mensheid plaatsmaken voor een “nobeler ras mensen”.2 Scriabin voltooide het stuk niet en stierf in 1915 aan de gevolgen van bloedvergiftiging, waarschijnlijk opgelopen naar aanleiding van een geïnfecteerde steenpuist of een snede na een onfortuinlijke scheerbeurt.

Vergeleken met de epiek van zijn symfonieën is “Vers la flamme” een relatief bescheiden werk. Intiem kun je de stuwende melodie echter niet noemen, de onverbiddelijke opeenvolging van tremolos en akkoorden doen de compositie kraken van energie en koortsachtige spanning. Uiteindelijk eindigt het geheel in een crescendo, bijna alsof het middelpunt van de vlam bereikt is.

Hieronder een registratie van pianist Vladimir Horowitz die “Vers la flamme” speelt. Op 11-jarige leeftijd speelde Horowitz voor Alexander Scriabin zelf, die hem prees maar ook maande veel te oefenen.


  1. Een systeem vergelijkbaar, maar zeker niet identiek aan de wijze waarop mensen met synesthesie zintuigelijke waarnemingen ervaren.
  2. Inderdaad, ietwat curieuze raciale ideeën, typisch voor die tijd, waren ook Scriabin niet vreemd.

Luischtert! VI: Elbow — I’ve Got Your Number

Elbow is sinds het album “The Seldom Seen Kid” een attractie op diverse festivals. Het is mooi en volkomen terecht dat ze een breder publiek bereiken, maar helaas wil dat wel zeggen dat de ze regelmatig te horen zijn op de radio. Als dergelijke leuterfabrieken iets kunnen is het muziek compleet kapot raggen door ieder uur van de dag dezelfde hits te draaien — daarvoor zijn het ook hits, geloof ik, maar dat terzijde. Dat deden de heren en dames DJ bijvoorbeeld eerder met de, ietwat over het paard getilde, Kings of Leon. De frequentie waarmee men “Sex on Fire” en “Use Somebody” in de ether slingerde was op een gegeven moment bijna schadelijk voor je gezondheid.1 Met Elbow dreigt hetzelfde te gebeuren, maar daar moet ik als verzuurde misantroop vrede mee hebben, geloof ik. Iets met vooruitgang en misplaatste arrogantie, enzo.

Elbow staat vooral bekend om hun zachtmoedige muziek en de stem van Guy Garvey natuurlijk, die daar perfect bij past. Op ieder album komt er toch altijd wat venijnigheid naar de oppervlakte en op “Cast of Thousands”, het tweede studio album, springt “I’ve Got Your Number” er wat dat betreft behoorlijk uit. Het is een wat lome compositie waar de passieve agressiviteit vanaf spat. Wat dat betreft een groot verschil met de hoopvolle muziek waar Elbow nu vooral bekend om staat. Tevens brengt “I’ve Got Your Number” samen met bijvoorbeeld “Snooks (Progress Report)” het album in balans, anders zou het album bijna zeker ten onder gaan aan het gewicht van alle romantische melancholie die in copieuze hoeveelheden aanwezig is in “Fugitive Motel” of “Switching Off”.

Glansrol in “I’ve Got Your Number” is weggelegd voor het ranzige en bijna misplaatste orgel, tegen het einde van het nummer. De tekst mag er ook wezen, ook al bestaat deze uit slechts twee coupletten:

Keep it in the bottom drawer where you hide the sex tools
I pray you always need them

Perfecter kun je de toon niet zetten.


  1. Als strontvervelende zeurmuziek daadwerkelijk een aanslag zou plegen op je gezondheid, natuurlijk.

Luischtert! V: John Cale — Amsterdam

Amsterdam” staat op het eerste solo album van John Cale, “Vintage Violence”, een album dat door Cale gezien wordt als weinig origineel en meer als een leercurve dan een volwaardig album. Een album zonder artistiek gezicht, als het ware. Dat maakt de cover wel weer symbolisch, aangezien het een zelfportret is van John Cale met een plastic masker dat bijna zijn gehele gezicht bedekt.

Nu moet ik eerlijk bekennen dat de enige reden waarom ik “Vintage Violence” regelmatig beluister eigenlijk het nummer “Amsterdam” is, dat in slechts vier coupletten schaamteloos melancholisch verhaalt over de weinig bevredigende terugkeer van een geliefde. Het is de kaalste compositie op het album, waarbij eigenlijk alleen de stem van Cale de boventoon voert, met begeleiding op akoestische gitaar.

Luischtert! IV: Sigismund Thalberg — Étude No. 8, Op. 26

Sigismund Thalberg is een van de grote, maar bovenal vergeten, pianovirtuosen uit de 19de eeuw. Waar mensen als Franz Liszt en Niccolò Paganini, in mindere mate, zowel bij leven als na zijn dood ongekend populair bleven, zijn “mindere goden” als Friedrich Kalkbrenner, Ignaz Moscheles en Thalberg grotendeels vergeten.

In het geval van Thalberg is het eigenlijk vreemd dat hij heden ten dage niet wat meer bekendheid geniet. In de 19de eeuw was hij namelijk het equivalent van een rockster, met een eigen leermethode, een sloot aan imitatoren en vrouwen die in katzwijm vielen als ze de goede man hoorden spelen. Thalberg was ook de grote rivaal van Liszt op het gebied van concerten. De gekte rondom Liszt en zijn aanhangers krijgt vaak de naam “Lisztomania”, maar Thalberg bevond zich op het hoogtepunt van zijn carrière in een vergelijkbare situatie. Vaak ligt de nadruk op de relatie tussen Liszt en Chopin, maar in de 19de eeuw waren het de namen Liszt en Thalberg die vaak in combinatie met elkaar vielen in de muziektijdschriften. Chopin voldoet overigens amper aan het beeld van de archetypische virtuoos zoals Liszt en Paganini dat waren, met zijn podiumvrees en meer introverte persoonlijkheid. Wat overigens niet wil zeggen dat de concerten die Chopin gaf geen enkele roering veroorzaakten.

De reden waarom Thalberg nu niet meer bekend is, heeft waarschijnlijk juist met zijn ongekende populariteit te maken. In het midden van de 19de eeuw waren de symptomen van een vergaande “Thalberg-moeheid” zichtbaar in kolommen van de muziektijdschriften die hem eerder zo ophemelden. Het was in die tijd normaal voor virtuoze pianisten om hun bravoure te tonen in variaties op, of bewerkingen van bekende melodieën. In Thalberg’s geval gaat het veelal om variaties op bekende opera fragmenten van contemporaine componisten als Rossini, Bellini en Meyerbeer. Het is een praktijk die in de 20ste eeuw minder in zwang raakte, hoewel een pianist als Ervin Nyíregyházi dat nog stug probeerde en daarmee deels zijn carrière vrij vakkundig om zeep hielp.
Veel van Thalberg’s variaties waren publieksfavorieten en zijn Fantasie op een melodie uit de opera “Moïse” van Rossini werd na de première onthaald als een pianistisch meestwerk. Jaren later sabelden critici het werk echter weer even hard neer op basis van wat men beschouwde als typische Thalberg trucjes. Tegen het einde van de 19de eeuw stond de virtuoos slechts bekend om een ingewikkelde en zeer specifieke pianotechniek en de bijnaam, “Ouwe Arpeggio”, die aan dat feit refereert. Tot zover de vruchten van een succesvolle loopbaan van meer dan 20 jaar…

Een voorbeeld van de veel geïmiteerde en later bekritiseerde pianotechniek van Thalberg (Moïse Fantasie, Op. 33).

Als je daadwerkelijk gaat luisteren naar de composities van Thalberg, die helaas veel te weinig in het repertoire van hedendaagse pianisten voorkomen, ontstaat toch een heel ander beeld. De pianistische technieken die de recensenten uit de tijd van Thalberg hevig bekritiseerden zijn zeker aanwezig, maar niet zo clichématig als veel 19de eeuwse recensies doen geloven. Veel van zijn variaties op opera thema’s zijn inderdaad bravourestukken, maar dat kan ook van het meeste werk van Liszt gezegd worden. Uit veel van het werk van Thalberg blijkt een lyrische kracht te gaan, gepaard met een groot compositorisch vernuft, in het bijzonder zijn originele composities. De prachtige Romantische lyriek doet veelal denken aan werk van Chopin of Mendelssohn. De achtste étude uit de bundel met opusnummer 261, is mijns inziens een goed voorbeeld van een mooi huwelijk tussen virtuoze techniek en Thalbergs gevoel voor melodie. Thalberg bouwt vanaf de eerste klaterende noten een spanning op die op een tweetal momenten in de étude een emotionele ontwikkeling doormaakt. De componist weet op een bewonderenswaardige wijze de balans te behouden tussen melodie en techniek, zonder dat het laatste aspect de overhand krijgt. Iets waar Thalberg zich bijvoorbeeld wel schuldig maakt aan het einde van zijn variaties (Op. 40) op een andere opera van Rossini; “La Donna del Lago” en de reden waarom veel muziek van Liszt vaak een hele opgave is om te beluisteren.

Misschien was Thalberg geen vernieuwer zoals Liszt dat was, maar hij verdient zeker meer aandacht dan hij nu krijgt van de huidige generatie pianisten.


  1. Pianist Stefan Irmer heeft de etudes opgenomen, samen met een tweetal van Thalbergs bekendste fantasieën, waaronder de variaties op “Moïse”. Francesco Nicolosi is ook een verdienstelijk vertolker met een aantal albums op het Naxos label.

This is UNIX, I know this!”

The portrayal of computers and related technology in various television series and movies almost certainly provides some cringeworthy moments. I’m certain most movies or series involving medical procedures will cause a barrage of head shakes from the people who are actually working in the field. I have the same issue with the utilisation of technology in movies and on television.

Take for example the BBC series Spooks. A lot of episodes incorporate modern technology in one way or another. The resident computer nerd of the past two seasons, Tariq Masood has the uncanny ability to follow anything or anyone by using a computer and the vast British network of CCTV cameras that is at MI5’s disposal. I’m willing to accept that particular piece of fiction and the fact that the writers of the series have no qualms whatsoever of using the distinctly nineties phrase “cyber” whenever computers are involved. What I didn’t like this past season, and undoubtedly the ones before, are little details.

Spooks

Please, steal my password…
(Image taken from: http://spooksfanblog.com)

In one of the episodes an MI5 employee gets set up because one of the main characters uses his user account to illegally retrieve a classified file from the internal network. This was only possible because apparently all passwords are entered without obscuring the actual input, so “mysupersecretpassword” doesn’t automatically become “••••••••••”. I’m sure said method was an incredibly convenient plot device for the writers, but even the most the most basic OS obfuscates passwords, so something which is used in a top-secret environment full of spies should at least be up to scratch.

In a later episode the Grid (MI5 headquarters) is compromised when a cabal of Chinese and Russian hackers manages to infiltrate MI5’s computer network. Those Russians and Chinese sure are very capable computer experts, because they even manage to turn every computer screen into a full blown camera.

The portrayal of technology in movies and television series has always been problematic.

A pixelated, low resolution photo of the killer isn’t going to stop the CSI team. No sir!

As soon as the technology has to be realistic, as opposed to the future science vista offered by Star Trek, Hollywood consistently fails to deliver. See for the most dreadful examples the movie “Firewall” starring Harrison Ford or “Untraceable” featuring Diane Lane. “Untraceable” is a terrible film, even without the technology present, but why go at lengths to portray somebody from the FBI cybercrime team and fail so miserably at it? The protagonist of the movie is supposed to be an expert on “cyberstuff”, yet she doesn’t have a simple virus scanner and lets her daughter surf unattended on the Internet and download a malicious program featuring pink horses and a backdoor trojan which allows the hacker antagonist to take over her house (and her car). The FBI cybercrime division on the other hand has the magical ability to disable any website they desire by blacklisting it, but fail to shutdown a simple server.

This amusing list on GideonTech lists the worst portrayals of technology in film, “Untraceable” isn’t featured, but “Firewall” is the proud number one. “Wargames” (1983) is also present, but I think it’s a bit unfair as it’s a movie from the early eighties when computers were still machines of pure and utter magic. In “Firewall”, a movie hailing from the 21st century, computers — and all modern technology, for that matter — are still made from dreamfluff and can accomplish amazing things in the hands of Harrison Ford. I think it’s rather sad to see Hollywood’s ineptness regarding the representation of technology is still as strong as in the 1980s, when mobile phones and computers were actually new and not completely omnipresent.

So I guess we’ll be stuck with operating systems which go bleep every second, make annoying sounds one types and are able to enhance extremely blurry images in a matter of 5 seconds.1


  1. Many of the baroque operating systems found in movies are made by a man named Mark Coleran, Gizmodo ran a short piece on him a while back, featuring some amusing screenshots.

It’s that time again…

And so Fox, in all its wisdom and a few days after me showing some signs of enthusiasm related to Fringe, has decided to move the show to a Friday night time slot in America. Traditionally, this is the place where shows go when they’re about to be cancelled and Fringe is about to become another member in the list of venerable television shows like Firefly and Dollhouse. Apparently Friday night is a time most Americans don’t spent in front of a television and American Idol is more important to the network — because there’s always a need for more auto-tuned bubblegum popstars.

My guess is that the show isn’t going to be renewed for a fourth season, which is an absolute shame and will leave us with so many unanswered questions. But anyway, I have another excuse to post a picture of Anna Torv.